|
God verscheen onder de mensen.
Het was daar warm.
Ze hielpen hem uit zijn jas,
stelden hem voor aan priesters en krankzinnigen,
vroegen hem wat hij drinken wilde,
schonken hem argwaan in, en rode jaloezie.
Er zwierven hongerige honden rond
en boosaardigheid lag in schalen op alle tafels.
Iedereen miste iets
en wilde weten wat God daar wel van dacht.
God zweeg en bleef niet lang.
Hij vertrok en vergat zijn jas,
vloog rillend naar de hemel,
en de mensen vielen op hun knieën,
staken hun armen omhoog
en weenden:
“Uw jas! Uw eeuwige jas!”
Toon Tellegen
uit: ... Over de liefde en over niets anders, A’dam 1998
|