|
|
Voor zondag 'Judica'
(Psalm 43: 1, 2a: 'Doe mij recht, o God, en voer mijn rechtsgeding tegen een onheilig volk en red mij. Gij zijt de God van mijn toevlucht.')
lezingen: Exodus 9 : 13-35; Lucas 20 : 9-19
Zingend geloven 1, lied 26 vers 1, 5, 6 en 7
O visioen van 't heiligdom omhoog,
paleis, gebouwd uit alleroudste stralen,
waar englen in ontzaggelijke zalen
als kandelaren branden voor Gods oog.
En elke voorhang is een reiner lied
en elke trap geduchter zaligheden.
Hoe zou een sterveling door dit gebied
het heilige der heiligen betreden?
Laat ons vrijmoedig treden in het licht.
Gods rechterstoel is zetel der genade.
De grote hogepriester slaat ons gade.
Hij pleit voor ons, en zo zijn wij gericht -
en gerechtvaardigd, zo belijden wij
zijn hoge waardigheid, zijn hoge orde.
En ieder schepsel zucht, tot wij als Hij
Gods zonen, waarlijk mensen, mogen worden.
Wij weten wel, dat heel de schepping kermt.
Wij zuchten zelf. Hoe zouden wij niet zuchten?
Wij moesten voor Gods stem nog altijd vluchten,
als Hij zich niet als vader had ontfermd.
Omdat de zoon in 't ongenaakbaar vuur
voor ons en al het zijnde_is ingetreden,
mogen wij lust en leed der creatuur
vertalen in een kinderlijke bede.
O visioen van 't hoge heiligdom,
kristallen weerklank, hartstocht van gezangen,
waar alle eng'len branden van verlangen,
totdat de zoon de woorden spreekt: "Ik kom"!
Aloude deuren oop'nen zich daar wijd
naar vele woningen, naar koele gaarden.
Zo wordt het nieuw Jeruzalem bereid,
een mensenstad, een Godsstad voor de aarde.
|